Het is het perfecte huis

Later, als ik groot ben, heb ik heel veel geld. Zoveel geld dat ik meerdere huizen heb en auto’s, waaronder vooral oldtimers. Natuurlijk heb ik ook een huis in Nederland (en in Italië en in New York), maar mijn favoriete huis staat in Engeland, in een schattig Brits dorpje.

Het is het perfecte huis.

Het komt uit de achttiende eeuw en is eigenlijk een klein kasteeltje. Ik heb een prachtige tuin met bloemen in allerlei kleuren en vormen. Middenin is een klein meer en de planten weerspiegelen in het water. Aan de oever ligt een roeibootje. Soms vaar ik daarin om vervolgens te picknicken op mijn eigen grasveld.
Ik heb ook een doolhof in mijn tuin, net zoals in Disneyland Parijs, inclusief Alice in Wonderlandfiguren. Af en toe hoor je geschater vanachter de heggen, want de buurtkinderen komen natuurlijk geregeld langs om te spelen en limonade te drinken. Soms geef ik ze een snoepje, maar dat zeg ik natuurlijk niet tegen hun ouders.

Ik heb een eigen werkkamer en mijn bureau staat voor het raam, zodat ik uitkijk op de tuin. Mijn bureau is van hout en er staan inspirerende quotes in gekrast. In een hoek staat een grammofoonspeler en een stapel elpees van de Beatles. Naast mijn computer staat een ouderwetse typemachine waarop ik liefdesbrieven tik voor mijn geliefde.

Aan deze kamer grenst de grootste kamer van het huis. De bibliotheek. Deze zaal is net zoals in Belle en het Beest. Ik heb een ladder nodig om bij sommige boeken te komen. Er staan twee grote stoelen in, van die stoelen waar dandy’s in zitten. Het vuur van de openhaard verwarmt me tijdens het lezen.

Natuurlijk zijn dit niet de enige kamers. Vanzelfsprekend heb ik een woonkamer (tevens met openhaard en heel veel zachte kussens), keuken (+ kookeiland) en een eetruimte met een hele lange houten tafel en iedereen mag altijd mee eten (ik heb een kok in dienst). In mijn slaapkamer staat een heel groot bed en als ik op een knopje druk, gaat het dak open en kan ik naar de sterrenhemel kijken. Mijn badkamer heeft een enorm bad met heel veel kranen waar allerlei bubbels en andere dingen uit komen, net zoals in Harry Potter. Natuurlijk heb ik ook diverse gastkamers, want als je wil, mag je blijven slapen. En ik heb een muziekkamer met een vleugel in het midden en akoestische gitaren eromheen. Dat ik geen gitaar kan spelen, vergeet ik maar even voor het gemak.

Ja. Dat is mijn huis. Mijn lievelingshuis voor in de toekomst. Later. Als ik groot ben.

Vrijwilligerswerk

Eén ding had mijn tijd bij het bejaardentehuis en Truus wel opgeleverd: ik ontdekte dat ik het leuk vond om met ouderen te werken en wilde vrijwilligerswerk doen.
Dat bleek nog niet zo makkelijk te zijn. Er zijn in mijn dorp twee bejaardentehuizen. De ene reageerde niet. De andere was het bejaardentehuis waar ik zelf gewerkt had. Ik wilde bij ouderen langs gaan en leuke dingen met ze doen.
‘Je mag niet met ze buiten het pand gaan.’ was het antwoord.
Waarom niet? Omdat er dan wel eens iets zou kunnen gebeuren. Sneu. Heel sneu dat die mensen daarom niet meer buiten komen.
‘En waar ga je het dan met ze over hebben?’
Eh ja. Sorry. Ik heb mijn onderwerpenlijstje nog niet samengesteld.
Conclusie: ‘Je bent te jong.’ (ik was achttien jaar).
Oké. Sommige bejaardentehuizen staan te springen om vrijwilligers, maar als jullie zo moeilijk doen, dan hoeft het van mij ook niet.

Uiteindelijk kwam ik terecht bij een appartementencomplex voor verstandelijk gehandicapten. Elke week bracht ik Annette naar streetdance, en terwijl zij aan het dansen was, deed ik spelletjes met de andere bewoners.
Annette was een vrouw met het syndroom van Down en ze bevestigde het stereotype beeld van een vrolijke Down-patiënt niet. Ze had nooit zin om naar streetdance te gaan en sloot zich dan huilend op in de wc (als ze er was, vond het ze het wel leuk hoor).
Het is lastig om daar mee om te gaan, maar ik moet zeggen dat ik er veel van heb geleerd. Uiteindelijk ben ik ermee gestopt vanwege mijn eindexamens.

Laatst kreeg ik een boekje van de ASVZ (een organisatie voor zorg- en dienstverlening aan mensen met een verstandelijke handicap) om de vrijwilligers te bedanken. Er stonden inspirerende teksten in, die ik ook in het appartementencomplex had zien hangen:

Zorgen moet je doen, niet maken.

Als het tegenslagen regent, gebruik dan je glimlach als regenscherm.

Jij hebt de dingen niet nodig om te kunnen zien. De dingen hebben jou nodig om gezien te worden.

Het is aardig om belangrijk te zijn, maar het is belangrijker om aardig te zijn.

Na de zomervakantie wil ik weer vrijwilligerswerk gaan doen, met vluchtelingen. Je wordt dan gekoppeld aan een vluchteling en probeert hem/haar te helpen met Nederlands leren.
Ik kan iedereen aanraden om vrijwilligerswerk te gaan doen. Sommige mensen denken dat het veel tijd kost, maar vaak is het maar een uurtje per week. Het levert veel op voor de ander, maar ook voor jezelf. Bovendien is 2011 het Europees jaar voor vrijwilligerswerk, nog een reden om het te doen!

Heb jij wel eens vrijwilligerswerk gedaan?

Truus, net zo erg als de eindbaas van Wario

Het is inmiddels drie zomers geleden. Mijn eerste vakantiebaantje. Ik was zestien (going on seventeen), verlegen en onbekend in de werkende wereld.

Het was in een bejaardentehuis. De eerste twee weken moest ik schoonmaken. ‘He bah, wc’s onder de poep, zeurende bejaarden en stofwolken in de lucht.’ denk je misschien. Dat viel wel mee. Nee, dat was niet het ergste. Het vervelendste vond ik mijn collega’s.

Om maar even te generaliseren: vrouwen van in de veertig met kort haar, die alleen maar kunnen zeuren. Als je vriendelijk gedag zegt, kwam er nog net een chagrijnige ‘Hallo’ uit. Bovendien zijn ze niet bepaald aardig voor de oudjes. Een opmerking: niet alle bejaarden zijn doof. Je hoeft dus niet altijd te schreeuwen. En je kan ook gewoon op een áárdige toon vragen of ze op willen staan.

Maar mijn collega’s waren nog niet het ergste. Nee. Mijn baas. Truus. Ja, dat is haar echte naam. Truus was zeg maar de eindbaas in Wario. Had je net een pauze volgehouden met gezeur over kinderen en de was (waar je erachter komt dat er serieus mensen zijn die ‘hullie’ zeggen), loop je de Osama Bin Laden van het bejaardentehuis tegemoet.

Voorbeeld 1: Ik had samen met een ander meisje een kamer schoongemaakt. We deden er alleen wel lang over, want die vrouw had een kat: overal haren. Wie kreeg de schuld? Ik.
Truus: ‘Ja en nu moeten alle schoonmaaksters veel harder werken om het af te krijgen, blablablabla.’
Was het zo? Nee. Op vrijdag was zoals gewoonlijk niks meer te doen, waardoor we onzinnige dingen zoals leuningen en liften moesten schoonmaken.

Voorbeeld 2: Laatste dag. Ik moest de schoonmaakkar terugbrengen. Truus keek ernaar. Truus boorde me de grond in. Waarom? Ik had de kar niet goed schoongemaakt. Jawel mensen, je moet ook de bakjes schoonmaken en de producten zelf. Want anders vergaat de wereld. (overigens heeft Truus ook een keer tegen een schoonmaakster gezeurd dat ze de deurbel niet had schoongemaakt, zo erg is ze dus).
Wat ik had willen doen:
1. Keihard huilen.
2. Truus in haar gezicht slaan.
Ik heb het niet gedaan. Ik heb geknikt alsof ik het heel erg logisch vond. Nadat Truus me de huid had vol gescholden, had ze nog een laatste opmerking: ‘Kom je volgend jaar weer hier werken?’

Hell no!

Heb jij wel eens een (vervelend) vakantiebaantje gehad?

Waarom ik wel van mailen houd, maar niet van telefoneren

Het vriendje speelt al bijna een jaar in een rol in mijn leven. Dat is leuk, maar er zit ook een schaduwzijde aan. We wonen namelijk niet op loop- of fietsafstand van elkaar en dus moet je andere manieren verzinnen om toch elke dag contact te houden. Daar heeft Alexander Bell voor gezorgd: de telefoon. Punt is: ik houd van niet van telefoneren. Het vriendje wel. Dus neem ik elke keer met lichte tegenzin de telefoon op. Niet vanwege het vriendje, maar het bellen zelf. Ik zal hieronder verkondigen waarom telefoneren stom is en mailen leuk:

1. Stiltes.
Telefoneren: Stiltes. Die mogen er niet vallen als je aan het bellen bent. Kun je in real life elkaar nog een veelbetekende blik toewerpen, de enige die dat tijdens het telefoneren ziet, is je mobieltje. Dus moet je praten. Dat is vooral vervelend als die ene tante wanhopig een gesprek met je begint, als je ouders niet thuis zijn. ‘Lekker weer he’ is dan vaak het enige wat eruit komt.
Mailen: Je kan zolang doen over een mail als jij wil. Je kunt eeuwen nadenken of je eindigt met ‘x’ of ‘xx’. Niemand die het merkt. Je hoeft geen stiltes te vullen, want die zijn er niet. En je kan het zo kort of lang maken als je zelf wil.

2. Vervelende mensen.
Telefoneren: Geen enkel telefoonnummer is tegenwoordig nog veilig. Nee, we worden allemaal geplaagd door belletjes van callcenters, energiemaatschappijen en wat nog meer. Soms kom je er af met een ‘Maar mijn ouders zijn niet thuis.’, maar dan heb je toch áááál die moeite gedaan om de telefoon op te nemen. Energieverspilling noem ik dat.
Mailen: Klik klik. En weg is de spam. Je hoeft het mailtje geeneens te lezen, er tettert geen vervelende stem in je oor, je hoeft geen smoesjes te verzinnen. Easypeasy!

3. Geen zin of tijd.
Telefoneren: Je wordt altijd gebeld als je het net niet kan. Je favoriete serie is op tv, je wilt net naar bed of je hebt simpelweg geen zin. Uit beleefdheid praat je met je vriendin over de laatste drama’s in haar leven, maar ondertussen kijk je op de klok. ‘Goh, is het al zo laat?’ zeg je soms, maar ze snapt de hint niet. Je zucht en vraagt je af wat er in Glee is gebeurd.
Mailen: Ik kan (terug)mailen wanneer ik wil. Drie uur ’s nachts? Doesn’t matter! Ik hoef niet binnen een paar secondes te reageren op de mailtjes die ik krijg. Baas in eigen e-mailbox noem ik dat.

Voor sommige mensen maak ik wel een uitzondering, zoals bijvoorbeeld het vriendje of mijn ouders. Dus ik heb het bellen nog niet volledig opgegeven. Maar voor de rest: lang leve het mailen!

Voetbal en avondeten

Minimaal drie keer per week gaat het bij ons tijdens het avondeten over voetbal: twee keer training en één wedstrijd van mijn broertjes team, gecoacht door mijn vadertje worden dan uitvoerig besproken.  Als Feyenoord speelt, mag ik nog een keer genieten van termen als counter, hattrick of schwalbe.

Even voor de duidelijkheid: ik houd niet van voetbal.

Dat is een groot probleem in zo’n gezin als de mijne.  Als ze vragen voor welke club ik ben, zeg ik ‘Feyenoord’, maar diep van binnen ben ik voor geen enkele club (ik kan maar één speler van Feyenoord opnoemen en dat vind ik al veel). Ik hoor allerlei details over de voetbaltechnieken van jongetjes in mijn broertjes team die ik nog nooit heb gezien. Maar mensen, ik weet wel als één van de weinige vrouwen wat buitenspel is. Daar mag best voor geklapt worden.

Ik ben alleen enthousiast met het WK of EK. Dan kan ik het wel aan om onzinnige uitspraken te horen als ‘Ze gaan niet diep genoeg!’ en ‘De bal kust de lat.’ van de voetbalcommentatoren. Dan weet ik opeens de namen van álle spelers. Ik ga zelfs juichen.

Dus misschien zit het toch wel in me, ergens diep verstopt: het voetbalgevoel. En toch zou ik het niet erg vinden als mijn zoon later niet van voetbal hield (maar mijn vader wel).

 

Mijn angst: de catastrofale omslag

Ik heb een angst en die komt soms uit een donker hoekje gekropen als ik bezig ben met een blog. Deze angst gaat zo: op een dag word ik wakker. Het zonnetje schijnt, de vogeltjes fluiten, er lijkt niets aan de hand te zijn. Ik stap mijn bed uit en ja, ik ben zelfs vrolijk. Het eerste wat ik doe, is de computer starten. Ik ben namelijk wakker geworden met een leuk idee voor een blogje. Word opent zich. Een wit vlak verschijnt op mijn beeldscherm. Ik wil gaan typen, maar mijn vingers blokkeren. Wat moet ik eigenlijk zeggen? Met welk woord moet ik beginnen? Ik typ een paar woorden, maar het slaat nergens op. Ik druk op de backspace-knop. Ook de pogingen daarna mislukken.
En dan, met een klap, besef ik het: ik ben de woorden kwijt. Van de één op de andere dag kan ik niet meer schrijven. Ik heb opeens net zoveel schrijftalent als de buurman. En dat is niet zoveel, dat kan ik je wel vertellen.

Mijn dromen zijn weg, want er is geen enkele kans meer dat ik ze kan vervullen. Ik stop met mijn studie en ga bij de Albert Heijn werken. Vijfenveertig jaar lang denk ik aan wat er van mij had kunnen worden als deze catastrofale omslag mij niet had getroffen. Met elke piep van de scanner voel ik een steek in mijn hart. Na mijn pensioen kijk ik veel televisie. Kruiswoordpuzzels durf ik niet aan. Ik doe niet aan boodschappenlijstjes, want ik ben bang voor de pen op het papier. Elke dag als ik opsta, hoop ik dat ik weer de oude ben. Maar dat zal nooit gebeuren…

Gelukkig kan aanleg/talent nooit op de één of andere dag verdwijnen. Het is dus geen realistische angst, maar toch ben ik er soms bang voor.

Welke angst heb jij die eigenlijk niet realistisch is?

Bijles: Laura’s manier om de wereld een betere plek te maken

Al een aantal jaar maak ik de wereld een stukje beter door bijles te geven. Dit doe ik, omdat ik een goed mens ben en mijn steentje bij wil dragen (nee, dat ik er veel euro’tjes aan verdien heeft er natuurlijk níets mee te maken). Helaas wordt dit niet altijd gewaardeerd.

Het is begonnen op de middelbare school. Ik was daar bekend als moeder Theresa en werd daarom gevraagd om bijles te geven (ik kwam erachter dat je veel geld kon verdienen met bijles en ben het daarom gaan doen). Welwillend als ik ben, nam ik deze dankbare taak op me.
Bijles geven is vervelender dan je denkt. De bijleskindjes waren namelijk niet zo welwillend. Ik kreeg twee jongetjes uit 1-vmbo, aan wie ik Engels bijles moest geven. Aan de vele keren dat ze niet op kwamen dagen en het gebrek aan inzet was te merken dat ze hier overduidelijk niet zelf voor hadden gekozen. Wat ouders hun kroost allemaal niet aan doen, het is toch werkelijk verschrikkelijk.
Ook voor mij was het niet één van de makkelijkste klusjes. Geloof me, na tachtig keer vertellen dat ‘but’ ‘maar’ betekent, ben je het ook wel zat. Gelukkig kwam daar het einde van het jaar in zicht.

Ook in de zesde zette ik mijn taak als wereldverbeteraar voort (wel jammer dat de belastingdienst erachter kwam dat het zwart betaald werd en ik opeens drie euro minder ging verdienen per uur). De bijleskindjes van vorig jaar hadden het gebeuren niet overleefd. Sinds de zomervakantie heeft niemand (in ieder geval ik)  meer van hen vernomen. Ik kreeg een aantal nieuwe bijleskindjes. Eén van hen is nooit komen opdagen en ik ben nog altijd op zoek naar hem. Bel me, als je hem gevonden hebt.
De andere bijleskindjes begrepen gelukkig wel dat ‘but’ ‘maar’ betekent, ook al maakt dat niet uit, want ik gaf Duits en geschiedenis bijles. Geschiedenis? Zult u vragen. Ja. Bijles geven in geschiedenis is mogelijk. Ik ben daarvan het levende bewijs.
Het jaar sukkelde voort. Soms sneuvelde een bijleskindje, maar er kwam altijd weer eentje voor in de plaats. Toen ik de laatste punt had gezet op mijn Grieks examenblad, kwam de paniek.
Heeft mijn leven nog wel zin zonder bijles?

Ik vond mijn redding in één van de informatieblaadjes die ik tijdens de EL-CID (introductieweek in Leiden) gekregen had. Studentsplus. Studenten geven bijles aan scholieren.

Sindsdien huil ik mezelf niet meer in slaap. Ik ben gelukkig (mijn bankrekening ook).

Haar naam is Laura

‘Hoe heet jij?’
‘Laura.’
*zingt* ‘Haar naam is Laura, een hele lieve meid.’

Dit overkomt mij helaas te vaak. Ik zal het Jan Smit nooit vergeven dat hij mijn naam heeft gekozen voor dit liedje. Als er  iemand een liedje over de naam ‘Laura’ maakt, laat het dan Coldplay zijn. Maar dit Volendamse kattengejank hoef ik niet te horen.
Mijn allerliefste broertje heeft een keer een variant op de tekst gemaakt: ‘Al haar vrienden die zijn aardig, maar voor Laura geldt dat niet.’
Ja, we hebben een hele goede broeder-zusterband, dat is duidelijk.

Gelukkig is Jantje Smit niet de enige die een liedje heeft gemaakt met de titel ‘Laura.’ The Wombats hebben het liedje ‘Party in a forest (where’s Laura?)’. Geen hoopgevende titel. En hoewel ik the Wombats een leuke band vind, is dit liedje wat minder. Ook ‘Laura’ van de Scissor Sisters valt tegen. Maar ze hebben ook een liedje met de titel ‘Paul McCartney’ geschreven, dus ik ben in goed gezelschap.

Er is iets met de naam Laura. Hier in de buurt wonen vier Laura’s. Ik zat samen met twee andere Laura’s in de klas. Ik kan zo drie bloggers noemen die ook Laura heten. Ik ben nooit de enige Laura in iemands telefoonlijst. Jawel, de naam Laura is populair. Naar mijn gevoel heet de halve wereld zo.

Nee, ik haat mijn ouders niet, omdat ze me Laura hebben genoemd. Ik vind het eigenlijk wel een mooie naam. Het had veel erger gekund (Grietje, Bo, Apple om er maar een paar te noemen).

Maar elke persoon die in het vervolg ‘Haar naam is Laura’ zingt, als ik mijn naam noem, krijgt een pak slaag. Wees gewaarschuwd.

Ben jij blij met jouw naam?

‘Ik had je veel jonger geschat!’

‘Ik ben negentien.’
Zelfs bijna twintig.
‘Oh echt waar? Ik had je veel jonger geschat!’
Dit gesprek voer ik helaas veel te vaak. Mensen vragen naar mijn leeftijd, ik vertel het ze en vervolgens zeggen ze dat ze dat echt écht niet hadden verwacht. Ik wil jullie het volgende meegeven: zeg nooit tegen iemand dat je hem of haar jonger had geschat. Dit is namelijk niet leuk. En het is niet zo alsof jij de enige bent die dit tegen mij zegt. Oh nee hoor, sluit maar aan bij het rijtje.

Het is wel logisch, want ik ben niet zo groot en ik heb een rond gezicht (weet je wel, met van die wangen waar oude vrouwtjes graag in knijpen). Dit zijn zogenaamde leeftijdsverlagers. Je snapt dan ook meteen waarom ik nooit twee staartjes in heb of smurfenijs eet. Ze vragen bij de slager nog net niet of ik een plakje worst wil. Met angst in mijn hart wacht ik op de dag dat ze denken dat mijn broertje (zestien jaar) mijn broer is. Stiekem is die dag al gekomen.
Een ander probleem (en dan heb ik het nog geeneens over a-l-t-i-j-d je ID moeten tonen als je uitgaat) is dat ik waarschijnlijk op mijn vijftigste nog schattig wordt gevonden. Ik wil nu al niet meer schattig gevonden worden, laat staan als ik Sarah vier.
Mensen proberen me op te vrolijken met de uitspraak: ‘Als je later oud bent, dan ben je er blij mee.’
Over dertig jaar zie ik er waarschijnlijk nog steeds uit alsof ik vijftien ben.

Ik ga bijna naar rimpels en grijs haar verlangen.

 

Laura de reiziger: Vijf ergernissen aan het openbaar vervoer

DSC00698

Ik ben een reiziger. Helaas niet iemand die de prachtigste plaatsen van de hele wereld bekijkt. Nee, ik reis vier dagen in de week van en naar Leiden. Bus, metro, trein. Inmiddels heb ik dus voldoende ervaring met het openbaar vervoer en dat heeft tot een aantal inzichten geleid. Ik zal jullie vandaag mijn lijstje van vijf ergernissen aan het openbaar vervoer geven (willekeurige volgorde).

1. Mensen die  niet voor je opstaan.
Dit gebeurt vaak in de bus of in de metro. Stel je eens voor, je zit in de metro vanaf Rotterdam Centraal en je moet eruit bij Zuidplein. Jij zit aan de kant van het raam en naast je zit nog een persoon.
‘Zuidplein.’ hoor je door de intercom.
Je pakt je ov-chipkaart. Je staat op. Dit is allemaal volstrekt logisch, hiermee geef je het signaal: ik moet er bij deze halte uit. Misschien begrijpen ze het niet of willen ze het niet begrijpen. De persoon naast je doet zijn/haar benen naar de zijkant, als een soort schijnbeweging, want het is echt niet alsof je er dan makkelijk langs kan. Met veel moeite en in ademnood wring je je tussen die persoon (waardoor je dus ook iemand aanraakt die je niet wil aanraken) en de stoeltjes ervoor. Soms struikel je alsnog over voeten of dat soort dingen.
Lieve mensen, ik vraag jullie alsjeblieft: hoeveel moeite is het nou om op te staan voor iemand? Je kan daarna gewoon weer zitten, je kan zelfs bij het raam zitten, harstikke leuk! Zelf vind je het toch ook fijn als iemand voor je opstaat, zodat je er gewoon normaal uit kan? En ik ben echt de slechtste niet hoor, ik zal gewoon netjes ‘Bedankt’ zeggen als je voor me opstaat. Dus alsjeblieft. Heb wat over voor je medemens.

2. Telefoongesprekken.
‘Hey Piet! Ja, nee, ik zit in de trein. Waar ben jij?’
Zo gaan die telefoongesprekken meestal. Daarna gaat het over in roddelen of het gaat over kinderen, noem maar op. Soms zijn ze kort, die telefoongesprekken. Meestal niet. Heel de treincoupé mag weten dat die klootzak nog steeds niets van zich heeft laten weten of dat Marietje zwanger is. Hier blijft het niet bij. Want degene die naast je zit, wordt ook gebeld. En de persoon achter je ook. Soms hoor ik vijf telefoongesprekken door elkaar heen.

3. Wachten in de kou.
Als je vaak met het openbaar vervoer reist, dan bestaat een groot gedeelte daarvan uit wachten. Mensen zijn van nature meestal niet zo geduldig. Dus ben ik op het treinperron of bij de halte vaak omringd door chagrijnige gezichten. Vooral in de winter kan er geen glimlachje vanaf. Wachten is niet leuk, maar door die ijzige sfeer wordt het alleen maar vervelender. En als het wachten afgelopen is: dan begint het dringen naar binnen (ellebogen zijn niet gemaakt om mee te duwen, mensen).

4. Buschauffeurs.
Ik heb niets tegen buschauffeurs in het algemeen, maar wel tegen twee soorten buschauffeurs, die soms ook vereenzelvigd zijn in één persoon.
Je stapt de bus in. Je houdt je ov-chipkaart voor dat gele/witte ding en dan kijk je naar de persoon achter het stuur.
‘Hoi.’ of ‘Goedemorgen!’ zeg je dan, al gelang naar het humeur dat je die dag hebt.
Geen reactie.
Dit, lieve buschauffeur, is onbeleefd. Ik weet dat je niet altijd vrolijk kunt zijn en dat je er misschien gek van wordt dat je de hele tijd dezelfde route rijdt, maar daar kan ik niets aan doen. Dus zeg alsjeblieft iets terug (grom desnoods). Dat vind ik fijn (het grommen ietsje minder).
Nummer twee. Eindhaltes. Voorbeeld: Zuidplein of Leiden Centraal. Je wéét dat iedereen eruit stapt en dat het dus druk is bij de deur. Maar, toevallig, heeft een bus twee deuren. In het midden en aan de voorkant, waar de buschauffeur zit. Dus kan de ene helft aan de voorkant eruit gaan en de andere helft bij de middendeur. Het enige wat de buschauffeur hoeft te doen, is op een knopje te drukken. Soms is dat al teveel moeite. Dit gesprek tussen een reizigster en de buschauffeur ving ik op, toen de buschauffeur weigerde de voorste deur open te doen.
‘Ga je de deur niet opendoen?’
‘Nee.’
‘Ouwe chagrijn.’
‘Kijk naar je eigen kop.’
‘Houd je bek joh!’
Nu zou ik zelf niet zo reageren, maar het zou natuurlijk wel lief zijn van de buschauffeur om gewoon de voorste deur open te doen.

5. Mensen tegenkomen die je niet wil zien.
Ik kom uit een dorp. ‘Leuk voor je.’ Ja, echt fantastisch. Als ik dus met de bus van of naar Zuidplein ga, kom ik altijd wel bekenden tegen. ‘Leuk toch?’ Nee. Want je komt altijd die mensen tegen die je niet wil zien. Je kent het zelf vast ook wel. Oude klasgenoten, die vervelende buurman of het ergst: je ex. En wat moet je dan doen? Hoi zeggen (wat een awkward situation oplevert) of negeren? Lastig, lastig.

Ik heb nog meer ergernissen, maar die bewaar ik wel voor een andere keer. Aangezien ik jullie niet met zoveel negativiteit over het openbaar vervoer wil opzadelen, zal ik binnenkort een lijstje maken van vijf dingen die wél leuk zijn aan het openbaar vervoer ;).